Welkom,

Kynologische termen
Kynologische termen

De Clubmatch en Fokdag zijn een gezellige gelegenheid om samen met fokkers, eigenaren en andere Drentenliefhebbers te kijken in hoeverre hun nakomelingen voldoen aan de rasstandaard.
Omdat het niet voor iedereen duidelijk is wat de betekenis is van diverse kynologische termen wordt hieronder een aantal termen uitgelegd.

Uiteraard zijn er keurmeesters die een “eigen jargon” hanteren.

(Met dank aan keurmeester dhr. Jaap Smits)

A

Aanliggend: Een aanliggende vacht, die niet van het lichaam afstaat.

Achterhand: Achterbenen, kruis en staart.

Achterhandhoeking: De heuphoeking, de kniehoeking en de spronghoeking.

Achterhoofdsknobbel: Achterste uitstekende deel van de schedel, ook wel Occiput of Jachtknobbel genoemd.

Achtermiddenvoet: Het deel van het achterbeen tussen hak en tenen.

Adel: Harmonisch gebouwd met allure of dinstinctie

Afstaande ellebogen: Te veel naar buiten gedraaide ellebogen.

Afvallend kruis: Als het kruis te sterk helt of te sterk afloopt. Tegenwoordig wordt gebruikt: (te) sterk hellend bekken.

Alert: Vrijmoedig bewegend, geboeid lijkend door iets.

Anorchisme: Het niet aanwezig zijn van de testikels.

B

Bakken: Sterk ontwikkelde wangspieren, die de belijning van het hoofd storen.

Beet: Manier waarop snijtanden in onder- en bovenkaak t.o.v. elkaar staan.

Behang: Oren plus de beharing ervan.

Beharing: Synoniem voor vacht.

Beladen schouders: Te zwaar ontwikkelde spieren aan de binnenzijde van de schouderbladen.

Belijning: Silhouet van de hond.

Bevedering: Lange haren aan de achterzijde van de benen, van de staart en aan de oren.

Bles: Witte aftekening van voorhoofd tot op de voorsnuit.

Bodemeng: Naar binnen gekeerde stand van de voeten of te dicht bij elkaar staande voeten.

Bone: Beensubstantie, ook wel Bot genoemd.

Borstdiepte: Loodrechte afstand tussen schoft en borstbeen.

Borstkas: Ook wel ribkorf genoemd (het gedeelte van de romp met bovenaan de rugwervels, opzij de ribben en vooraan het borstbeen).

Bossige staart: Rondom behaarde staart (geen Setterstaart).

Bovenbelijning: Lijn die vanaf het achterhoofd via nek, schoft, rug, lendenen en kruis tot de staartaanzet loopt.

Bovenvoorbijten: Bij gesloten gebit staan de bovensnijtanden vóór de ondersnijtanden zonder elkaar te raken.

Breed (gaan): Wijd (gaan).

Broek: Bevedering aan de achterbenen (tot spronggewricht)

C

Compleet gebit:  Alle tanden en kiezen (42) aanwezig. (bij pup 28 elementen) Bij een compleet scharend gebit moeten ook de premolaren en molaren "in elkaar passen".

Conditie:  Lichamelijke conditie van de hond.

Croupe: Gedeelte tussen darmbeenknobbels en staartaanzet, ook Kruis genaamd.

Cryptorchisme: Het verschijnsel dat beide testikels niet in het scrotum zijn afgedaald.

bench

D

Dekhaar: Bovenvacht.

Derde ooglid: Bindvlies van het binnenste ooglid.

Diepe borst: Juiste borstdiepte door lange ribben.

Dip: Lichte inzinking achter de schoft.

Draf: Een manier van voortbewegen waarbij steeds een diagonaal benenpaar het lichaam ondersteunt. (buiten een eventueel zweefmoment)

Droog: Zonder vet of losse huid, maar wel bespierd.

E

Ectropion: Het naar buiten krullen van het ooglid (een erfelijke afwijking).

Eénsporig gaan: Zie Gaan, éénsporig

Entropion: Het naar binnen krullen van een ooglid (een erfelijke afwijking).

Expressie: De gezichtsuitdrukking van de hond.

Exterieur: De uiterlijke verschijningsvorm van de hond, die voor elk ras verschillend is.

F

Franje: Lange beharing aan de oren, maar ook aan voorbenen en achterbenen, onderaan de buik en de staart.

Frans staan: Met de voorvoeten uitgedraaid (naar buiten gedraaid) staan.

Front: Hoofd, borst en voorbenen.

G

Gaan, éénsporig ~: Het tijdens de draf zodanig neerzetten van de voeten dat hun sporen één lijn vormen.

Gaan, gebonden ~: Het te weinig naar voren en naar achteren plaatsen van de achterbenen.

Gaan, gedrukt ~: Niet vrij bewegen.

Gaan, nauw ~: Het dicht tegen elkaar houden van de voor- of achterbenen.

Gaan, ruim ~: De voor- en achterbenen worden goed naar voren en naar achteren geplaatst.

Gaan, zwevend ~: Licht en verend lopen.

Galop: Snelste wijze van bewegen, waarbij het lichaam zich regelmatig in een zwevende toestand bevindt.

Gangwerk: De manier waarop een hond zich voortbeweegt (het gaan)

Geblokt: Vierkant gebouwd.

Gedrukt: Schichtig, angstig.

Gehoekt: De hoek, die de botten van voor- en achterbenen met elkaar maken.

Geknepen: Te sterk aangedrukte ellebogen.

Geslachtstype: Het mannelijk aanzien van een reu en het vrouwelijk beeld van een teef.

Gesloten: Bijv. een gesloten front in tegenstelling tot een open front; gesloten voeten in tegenstelling tot spreidvoeten.

Gestrekt: De schoft is minder hoog dan de romp lang is.

Gewelfd: Bijv, als het voorhoofd te veel naar boven welft; wordt ook gebruikt bij ribben.

Grond beslaan: De ruimte die gebruikt wordt bij een uitgestrekte pas

H

Haarkleed:  Vacht

Hak: Hiel.

Hakkeneng:  Koehakkig.

Halslijn: Bovenbelijning van de hals naar de schoft.

Hazevoet: Redelijk lange voet met lange tenen.

Heupdysplasie: Misvorming van het heupgewricht (meestal afgekort tot HD).

Hoeking: Hoek die gevormd wordt door beenderen of beenformaties van de ledematen.

Hoogbenig:  Hoog op de benen staand.

I

Inzinking: De groef tussen de ogen.

K

Karperrug: Omhooggetrokken rug en lendenen; ook wel Kameelrug genoemd.

Kattevoet: Kleine, ronde voet met gesloten tenen.

Keelhuid: Ruim hangende, losse huid rond de keel.

Kniehoeking: De hoek tussen dijbeen en scheenbeen.

Knikstaart: Staart waarvan 2 of meer wervels in een knik met elkaar vergroeid zijn.

Koehakkig: Als de sprongen dicht bij elkaar en de voeten naar buiten staan.

Kortbenig:  Laagbenig.

Kortharig: Korte bovenvacht met (of zonder) ondervacht.

Kraag: Langere, iets uitstaande vacht rond de hals.

Krabben:  Scheef lopen.

Kruis: Laatste deel van de rug tussen darmbeenknobbels en staartaanzet (ook Croupe genoemd).

Kruisen: Tijdens het gaan de voorbenen voor elkaar langs plaatsen.

Kruisgebit: Stand van het gebit (boven en onder) waarbij een gedeelte of overbeet of een schaargebit vormt en het tegenoverliggende gedeelte van de onderkaak een onderbeet is.

L

Laagbenig: Zie kortbenig.

Laaggesteld: Honden waarvan de bodemafstand kleiner is dan de borstdiepte.

Lip, te veel: Als de lippen teveel over de onderkaak hangen.

Los front: Door onvoldoende stevige bespiering niet goed aanliggende en teveel bewegende schouderbladen en/of ellebogen.

M

Mantel: Kleur die het lichaam bedekt met uitzondering van de benen, de hals en de staart.

Massa: Veel of weinig substantie.

Middenhand: Het gedeelte tussen schoft en het kruis.

Molaren/Premolaren:  Molaren zijn de echte of ware kiezen, deel uitmakend van het skelet; premolaren  zijn  de valse kiezen, ingeplant tussen hoektanden en de molaren (P1 t/m P4).

Monorchisme: Eén van de testikels is niet aanwezig in het scrotum.

N

Nauw gaan: Het te dicht naast elkaar plaatsen van de voor- en/of achterbenen tijdens de beweging.

Neusrug: Deel van de neus dat loopt van de neusspiegel tot aan de stop.

Neusspiegel: Voorste, onbehaarde deel van de neus, waarin de neusgaten liggen.

O

Occiput:  Zie achterhoofdknobbel of jachtknobbel

Onderbelijning: Lijn vanaf voorbenen naar lendenen (ook buiklijn).

Ondergeschoven staan: In stand de achterbenen te ver onder het lichaam plaatsen.

Ondervacht: Vettige en wollige korte haren, die direct tegen de huid liggen.

Onderbijten: De tanden van de onderkaak staan vóór die van de bovenkaak.

Ondervacht: Onderwol.

Ondervoorbijten: Zie onderbijten.

Open oog:  Oogleden sluiten niet goed aan.

Open vacht: Afstaande vacht.

Overbouwd: Het kruis ligt hoger dan de schoft. (kan in stand en in gangwerk)

Overbijten: Zie bovenvoorbijten.

Overhoekt: Als de hoeking te uitgesproken, te sterk is.

Overkruisen (Overreaching): Als bij het draven de afdrukken van de achtervoeten naast of voor die van de voorvoeten komen.

P

Pigment: Kleurstof die zich in de huid en vooral in de haren bevindt.

Platen: Grote, gekleurde vlekken op een lichte ondergrond.

Premolaren:  Kiezen die wisselen. (molaren wisselen ook)

R

Racy:  Op snelheid gebouwd, te elegant.

Ramsneus: Een iets naar boven gebogen, gewelfde neusrug.

Raspunten: Een lijst van eigenschappen waaraan honden moeten voldoen die tot een bepaald ras horen.

Rastypisch: Wanneer het type beantwoordt aan de eisen van de rasstandaard.

Ribkorf: Zie Borstkas.

Roofvogeloog: Een geelgekleurde iris met felle expressie.

Rui:  Verharing

S

Schaargebit: Gebit waarbij de bovensnijtanden als een schaar sluiten over die van de onderkaak.

Scheppen:  Voorwaarts zwaaien van de benen en de voeten naar buiten toe wegdraaien.

Schimmel: Gemengde witte met bruine of zwarte haren (zoals bij Heidewachtel/Munstelander).

Schoft: Het deel van de rug tussen de schouderbladentoppen.

Schofthoogte: Lengte van de loodlijn van de schoft tot op de bodem.

Schouderhoeking: De hoek die wordt gevormd door het schouderblad en het opperarmbeen.

Schouderligging: De ligging naar voren of naar achteren van het schouderblad en de hoek ervan met de verticale lijn.

Skelet:  Beendergestel.

Snipy:  Lange, puntige snuit.

Spikkels: Bruine stippen in een witte vacht.

Spreidvoeten: Voeten waar de tenen niet goed aaneengesloten zijn.

Spronggewricht: Het samengesteld gewricht waar de beenderen van de onderschenkel en de achtermiddenvoet samenkomen.

Staartaanzet: De plaats van de inplanting van de staart.

Standaard: Zie raspunten.

Stap: Langzame manier van bewegen waarbij de benen stuk voor stuk worden neergezet.

Steil: Te weinig of te open hoeking van de beenderen van voor- en/of achterhand.

Steppen: Het hoog opgooien van de voorbenen.

Stop: Overgang van neusrug naar voorhoofd.

Stuwen: Het krachtig afzetten met de achterbenen tijdens het bewegen.

T

Tanggebit: De onder- en bovensnijtanden staan precies op elkaar.

Telgang: Het gelijktijdig naar voren bewegen van beide linker- dan wel rechterbenen.

Ticking: Kleine bruine vlekjes in de witte vacht.

Tonvormig: Ribben die sterk gerond verlopen.

Toontreden: Voorvoeten iets naar binnen gedraaid bij gaan een staan.

Totaalbeeld: Het aanzien van de hond als geheel.

Type: De karakteristieke kenmerken van een bepaald type binnen een ras

U

Uitdrukking: Zie expressie.

V

Vang: Voorsnuit, wang.

Vierkant: De schofthoogte is gelijk is aan de lengte van de romp.

Vlag: Staartpluim.

Vlinderneus: Neus waar het pigment gedeeltelijk afwezig is.

Voorborst: Het gedeelte van de borst dat voor de voorbenen uitsteekt.

Voorhand: De schoudergordel met de voorbenen.

Vrolijke staart: Staart die (te) hoog gedragen wordt.

W

Warrelige vacht: Wanordelijk haar.

Weven: Zie kruisen.

Wijd: Als de benen te ver uit elkaar staan of bewegen.

Z

Zadelrug:  Doorgezakte rug.

Zwanenhals:  Voor een Drent te lange, gebogen hals.