Welkom,

Gesprek met Emile Gimbrère
Gesprek met Emile Gimbrère

Op de koffie bij Emile Gimbrère (erelid sinds 2018) en Ine Gimbrère-Straetmans

Donderdag 14 maart jl. ging ik op bezoek bij Emile en Ine Gimbrère in Diessen. Dit bezoek vond plaats naar aanleiding van de benoeming tot erelid van Emile, afgelopen zomer. Zonder de bijdrage van andere vrijwilligers te kort te willen doen, krijgt Emile deze onderscheiding omdat hij wel héél veel steentjes heeft bijgedragen aan het voortbestaan van de Vereniging. Emile is in totaal veertien jaar voorzitter van onze Vereniging geweest. Ine praat niet alleen mee omdat ze zijn echtgenote is maar zit zelf in de Gebruikshondencommissie.

Ine en Emile wonen in een prachtige, met riet gedekte, boerderij in De Kempen. Aan de voorgevel hangt een uithangbordje met een Drent en de kennelnaam Van d’Ouw Knip.

Emile, wanneer heb je voor het eerst een Drent gekregen en wat trekt jou aan in dit ras?

Wij kregen Cartouche van ’t Arrêt in 1987. Walter Klijsen was de fokker van deze hond en Walter kende ik al vele jaren, omdat hij picker-up was tijdens de jachtdagen op landgoed Annina’s Rust in Diessen, waar ik al heel lang jaag. (Een picker-up is bij de jacht iemand, die (aan)geschoten wild dat niet meteen geapporteerd kan worden alsnog met zijn jachthond probeert binnen te krijgen). Vóór 1987 waren we niet in de gelegenheid om honden in huis te hebben maar toen we van Malden naar Kaatsheuvel verhuisden, kregen we meer ruimte en terwijl ik dat tegen Walter zei, vertelde hij dat hij net van plan was om met zijn Drent Hunterd te gaan fokken. Hunterd van ’t Arrêt zou worden gedekt door Diederik Boy the Pooh. Omdat wij goede vrienden waren, kregen wij eerste nestkeuze bij de teefjes en gelukkig was er naast vijf reutjes één teefje. Dit teefje kreeg de naam Cartouche. Tijdens de jacht had ik de Drentsche Patrijshond zien werken. Ik vind de Drent een prachtige hond om te zien en een goede jachthond die jaagt onder het geweer. We wilden een staande hond wat inhoudt dat zij voor- en na het schot werkt. Mijn wens om een goede jachthond mee te nemen op jacht ging hiermee in vervulling. Ik was verguld met deze kameraad. Ik ben in 1987 ook lid geworden van onze Vereniging.

Je hebt nu drie Drenten; wat doe je ermee?

Wij hebben de honden in huis, wandelen er mee en nemen de dames mee op jacht. Ik ben ooit begonnen met veldwedstrijden dankzij Walter. Walter deed met zijn hond Hunterd, moeder van Cartouche, ook veldwerk. Hij heeft uitgelegd wat dat inhield en wij wilden wel eens zien of Cartouche dat ook in zich had. Ik ben toen mee geweest naar een jeugdwedstrijd in Groningen. Cartouche heeft daar een kwalificatie gehaald met een 1e plaats. Nu jaag ik voornamelijk met de honden en houdt Ine zich bezig met het africhten.

Hebben jullie zelf gefokt?

Ja, vooral omdat we steeds over een goede jachthond wilden beschikken. Comtesse, Esprit (Spriet), Rebelle en Jacquine zijn zelf gefokt. Caprice is 11 jaar, Rebèlle is 6,5 en nu op de top van haar kunnen. Jacquine is net 1 jaar oud en zit helemaal in de beginfase; ze moet nog heel veel leren. Ze is al twee keer mee op jacht geweest toen ze ongeveer 10 maanden oud was. Het was een gecontroleerde kennismaking met de jacht (grotendeels aan de lijn). We zagen dat ze in ieder geval over jachtkwaliteiten beschikt.

Emile, je vertelde daarnet dat je op landgoed Annaninina’s Rust jaagt; waar jaag je op?

Hier jaag ik voornamelijk op klein wild (hazen, konijnen, fazanten, duiven en eenden). Het jachtveld bestaat uit een bos en weiden met houtwallen. Op deze dagen gaan Ine en de honden mee. Ik heb hier ook het reeënafschot. Dat doe ik vaak vanaf een hoogzit. De honden gaan dan niet mee want het zijn geen zweethonden. Daarnaast jaag ik vanaf 1979 in Duitsland en vanaf 1981 in het zuiden van België op grootwild (reeën, edelherten, wilde zwijnen). Iets minder frequent jaag ik ook in andere landen.

Hoe ben je in 1990 in de functie van voorzitter terecht gekomen?

In de ALV van 18 juni 1990 ben ik toegetreden tot het bestuur. Ik kwam in een periode met de nodige bestuurlijke problemen. Vaak had het te maken met het fokken en hoe leden hiermee omgingen. Het waren tumultueuze tijden waarin de zittend voorzitter tussentijds was afgetreden. In juni 1991 ben ik gekozen tot voorzitter. Vanuit het bestuur was ik een tijd lang lid van de GBC (Gebruikshonden Commissie). Daarin zaten o.a. ook Nico Debets, Walter Klijsen, Wil ter Haar en Henk Companjen. In najaar 1991 werd voor het eerst de Novice-klasse geïntroduceerd. In deze klasse waarin o.a. beginnende voorjagers met hun honden ervaring konden opdoen voor ze deelnamen aan de Open klasse, werd iets ruimhartiger gekeurd. Ik heb me ook hard gemaakt voor de verzelfstandiging van de GBC. De GBC werd aanvankelijk erg strak geleid door het bestuur terwijl deze commissie heel goed in staat was de wedstrijden zelf te organiseren en financieel rond te krijgen. Toen ze meer verantwoordelijkheid kregen en een eigen budget om een vooraf met het bestuur overeengekomen aantal activiteiten te financieren konden ze er ook voor kiezen om meer wedstrijden te organiseren op voorwaarde dat ze zelf voor de aanvullende financiering zorgden. De GBC van onze Vereniging organiseerde daarna de meeste veldwedstrijden. Dat is overigens nog steeds zo. Mijn uitgangspunt tijdens mijn voorzitterschap was dat je mensen zoveel als mogelijk de gelegenheid moet geven hun talenten ten volle te benutten. En van die kwaliteiten moet je dankbaar gebruik maken.

De tweede keer werd je voorzitter toen er nogal wat tumult in de Vereniging was. Kun je hier iets over vertellen? / Hoe kijk je op die periode terug?

In 2000 werd het zittende bestuur demissionair vanwege meningsverschillen en hoog oplaaiende emoties over de Von Willebrand-factor. In de daaropvolgende ALV werd een nieuw bestuur gekozen en werd er opnieuw een beroep gedaan op mij. Tja, dan wil je de vereniging natuurlijk niet in de kou laten staan. Ik zat uiteindelijk weer 7 jaar in het bestuur.

In 1994 werd je gevraagd om plaats te nemen in het Tuchtcollege voor de Kynologie en de laatste jaren was je daarvan ook voorzitter. Waar bestond dit werk bij het Tuchtcollege uit?

Door mijn juridische achtergrond en belangstelling voor honden heb ik inderdaad in het Tuchtcollege gezeten. Er werd o.a. recht gesproken over het sjoemelen met stambomen, het misdragen op tentoonstellingen, vervalsingen van uitslagen, het bewust verwisselen van een dekreu (dit delict leverde een diskwalificatie van de fokker op voor tien jaar) en doping tijdens het Wereldkampioenschap Windhondenrennen. Dat laatste leverde een vermakelijke zitting op, toen een van de bij deze zaak betrokken getuigen uitlegde wat voor een klus het was om de urine op te vangen van de gedrogeerde teef.

Zijn er nog andere Verenigingen waar je voorzitter van bent?

Sinds 1991 ben ik voorzitter van de lokale Wild Beheer Eenheid (WBE). Naast het voorzitterschap van onze vereniging en het Tuchtcollege was ik voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Kennelclub Cynophilia, vicevoorzitter van de Commissie Jachthonden van Orweja, voorzitter van de Raad van Jachthondencommissarissen en vele jaren vicevoorzitter van de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging KNJV.

Ik ben recent door de Raad van Beheer gevraagd om plaats te nemen in de tweede werkgroep die zich bezig houdt met de herstructurering van Orweja. Orweja is een samenwerkingsverband van de KNJV en de Raad van Beheer, zonder formele juridische structuur. Wij moeten advies uitbrengen aan de KNJV en RvB hoe de structuur van Orweja verbeterd zou kunnen worden.

Ine is net als Emile een enorm natuurmens. Zou je dat willen toelichten, Ine?

Ja, beiden houden we van het leven op een boerderij in het buitengebied. We hebben daardoor ruimte voor schapen, kippen, eenden en drie Drentsche Patrijshonden. Ook delen we de liefde voor het jagen met de Drentsche Patrijshond. In het begin ging ik altijd mee als drijver en fotograaf. Ik heb mijn jachtdiploma gehaald in de ’90-er jaren en ben toen ook gaan jagen. Ik jaag alleen op klein wild. Tijdens het jagen met een jachthond is het soms lastig om twee dingen tegelijk te doen. Je loopt het risico dat het ene ten koste van het andere gaat. Je schiet bijvoorbeeld niet als je op de honden moet letten. In de loop van de tijd ben ik me meer en meer gaan toeleggen op het werken met de honden.

Drenten vallen op door de gedeeltelijk witte vacht. Gebruiken jullie camouflerende jasjes of schuilhutjes om de honden een beetje te verstoppen?

Wij jagen met de honden meestal in het bos wat inhoudt dat je steeds dekking hebt. We jagen zelden ‘voor de voet’; meestal zijn het kleine drijfjachten met een aantal jagers en drijvers en hun honden, die op linie door het veld of bos trekken. Dan is het zelfs fijn dat de honden opvallen. Jagers kunnen zich zo niet vergissen.

Ine, wat doe jij met de honden?

Toen Comtesse (Tess) kwam in 1991, ben ik veldwedstrijden gaan doen en kreeg ik daarvan de smaak te pakken. Daarnaast ben ik jachthondenproeven (na het schot) gaan doen. Met alle honden  heb ik meerdere kwalificaties gehaald tijdens veldwedstrijden en B-diploma’s tijdens SJP’s. Emile heeft met de 16 maanden oude Cartouche voor het eerst mee gedaan aan de jachthondenproef in Beesd. Het ging heel goed en ze haalde al vele tienen. Het laatste onderdeel was ‘het houden van de aangewezen plaats’. Cartouche en een soortgenoot lagen netjes naast een elektriciteitshuisje te wachten tot ze na twee minuten opgehaald zouden worden door hun baasjes. Opeens zag Cartouche iemand anders met eveneens groene kleding en een camera voor het gezicht aan voor zijn baas Emile. Deze man wilde een opname maken en was zichtbaar voor de liggende honden. Cartouche stond op en liep naar deze fotograaf toe. Wat was dat balen ….! Dat betekende zonder diploma naar huis! Een waar drama. Daarna heeft Emile nog een paar jachthondenproeven gedaan voor ik dat volledig overnam.

Wat vind je leuker om te doen veldwedstrijden of jachthondenproeven? En waarom?

Veldwedstrijden. Daarbij toont de staande hond pas echt of hij of zij passie heeft voor de jacht. Het is het werk voor het schot en sluit het meest aan bij de jachtpraktijk. Op de bijgevoegde foto zie je hoe ik samen met Rebelle, die voorstaat, mij langzaam in de richting van een zich drukkende patrijs beweeg. In het jargon heet dit ‘couleren’.

In 2018 ben je gevraagd om plaats te nemen in de GBC en als afgevaardigde zit je in de JWR (Jachthondenwed-strijdraad) van Orweja. Wat doet de JWR en wat houdt jouw werk daarvoor in?

Er is de laatste jaren veel te doen over aanpassingen en vernieuwingen in het veldwerk. Dat heeft er toe geleid dat er een werkgroep is ontstaan vanuit de JWR die zou onderzoeken welke innovaties er zouden moeten komen. De voorzitter van die werkgroep heeft zich, heel recent, teruggetrokken. Er zijn wel een aantal veranderingen doorgevoerd. Eén daarvan is dat de Novice-klasse is weggevallen. Het voorstel daartoe is met een hele kleine meerderheid aangenomen in de JWR. Honden kunnen nu wel langer in de Jeugdklasse blijven. De Jeugdklasse is namelijk uitgebreid naar 30 maanden i.p.v. 24 maanden. Verder is er een BVT (Basis Veldwerk Test) ingevoerd die tot voorrang zou leiden bij inschrijving tot de Jeugdklasse. De pilot is afgelopen, waardoor de huidige status van de BVT nog niet geheel duidelijk is.  Ik vind het erg belangrijk dat een van de weinige Nederlandse staande hondenrassen, te weten de Drentsche Patrijshond, zich via veldwedstrijden kan bewijzen en handhaven. De veldwedstrijden zijn volgens artikel II.3 van het Algemeen Veldwedstrijd Reglement uiteindelijk bedoeld voor de selectie van zo geschikt mogelijk fokmateriaal om zo een bijdrage te leveren aan het verantwoord fokken van voor het werk geschikte jachthonden, waarbij het raseigen karakter van de verschillende jachthondenrassen in stand wordt gehouden. Daarom zoeken Emile en ik bij het fokken ook altijd naar een reu die blijk geeft over voldoende goede jachteigenschappen te beschikken.

Mag ik jullie mening vragen over een paar actuele onderwerpen? Wat vinden jullie van de huidige ontwikkeling van het ras de ‘Drentsche Patrijshond’?

Emile: Wat ik jammer vind is dat er, door de keuze van de Raad van Beheer, tegenwoordig meerdere verenigingen per ras kunnen bestaan. Dat komt uiteindelijk het ras niet ten goede. Je ziet dit bij meerdere rassen. Het heeft te maken met mededinging. Je kunt nu met vijftig handtekeningen al een nieuwe vereniging oprichten die lid kan worden van de Raad van Beheer.

Wij vinden verder dat de jacht meer aandacht moet krijgen bij het fokken. De Drent is mede ontstaan uit de jacht. Dat historische gegeven moet je niet loslaten. Het gangwerk en de bouw zijn, naast uiteraard een goede gezondheid, bijzonder belangrijk. Daar zien wij ontwikkelingen waar we een vraagteken bij zetten.

Wat kun je opmerken m.b.t. ledenwerving, vrijwilligers en sociale media?

Veel mensen kunnen gewenste informatie op internet vinden en hebben daar geen vereniging voor nodig. Het is belangrijk dat we aantrekkelijke, laagdrempelige activiteiten organiseren voor een brede groep leden, informatie met voldoende diepgang aanbieden in ’Onze Drent’ en op de website en het lidmaatschap laag houden. Een goed idee is om pup-kopers het eerste jaar gratis lid te maken. Over vrijwilligers kan ik zeggen dat het bestuur het op dit punt vroeger gemakkelijker had, want ze beschikte over veel vrijwilligers met wie je goed kon samenwerkten. Dat ligt nu heel anders. Mensen willen zich over het algemeen niet lang aan iets binden. Het is in ieder geval belangrijk dat je hen bij veel activiteiten betrekt, verantwoordelijkheid geeft en regelmatig in het zonnetje zet.

Tijdens mijn tweede periode was er al wel e-mail maar nog niet in de mate waar we nu mee te maken hebben. Als ik een serieuze vraag kreeg, besprak ik het altijd eerst in het bestuur. Daarna kreeg men pas antwoord. Met de huidige Twitter-, Facebook- en Instagrammogelijkheden liggen alle soorten meningen direct op straat. Mijn advies luidt: trek je als bestuur niet te veel aan van wat er op sociale media gespuid wordt. Stippel je eigen beleid uit, weeg dat af in alle eerlijkheid en oprechtheid en sta 100% achter dat beleid. De Algemene Ledenvergadering is er om dat beleid al of niet goed te keuren. We kunnen ons wel voorstellen dat wanneer er negatief nieuws over ons ras of de Vereniging in de publiciteit komt je naar je eigen leden toe iets recht zet. Dat lijkt me verstandig omdat het wel beroering geeft. Als je er helemaal niet op reageert, kunnen leden gaan denken dat het misschien waar is. Komt het onderwerp op televisie of radio, dan zou ik wel proberen het recht te zetten.

Wat vinden jullie van het verenigingsblad ‘Onze Drent’?

Ine: Wij vinden het een goed blad. Zeker sinds het op A4-formaat wordt afgedrukt en een beetje een glossy uiterlijk kreeg, is het ook een mooi blad met artikelen uit de verschillende commissies zoals de GBC, over eigen belevenissen, medische onderwerpen, thema’s zoals opvoeding, fokken etc.

Emile: Van mij mogen er best wat meer inhoudelijk zwaardere (maar wel begrijpelijke) artikelen in.

Toekomst van de Vereniging? Verbeterpunten?

Zorg ervoor dat het laagdrempelig is en gemakkelijk bereikbaar blijft. Organiseer uiteenlopende activiteiten. Houd je blad up-to-date. Blijf aandacht besteden aan de gezondheid van de Drent en het uitgangspunt dat de Drent een jachthond is. Het is niet alleen een huishond maar een passievolle gebruikshond en dat betekent dat je met die hond wat moet gaan doen. Er ligt nu soms te veel nadruk op huishond. Als je Drent dagelijks voldoende uitdaging ervaart, heb je in huis geen kind aan ze.

 Ine en Emile bedankt voor jullie tijd en inzet voor dit interview.

Ellen Bouwen